Cao Bouw & Infra artikel 73

1.
De werkgever beoordeelt in redelijk overleg met de betrokken werknemers, waarbij zowel het bedrijfsbelang als de veiligheid en gezondheid van de werknemers in acht worden genomen, wanneer en hoe lang als gevolg van ongunstige weersomstandigheden of te weinig licht niet kan worden gewerkt. Indien geen overeenstemming tussen werkgever en werknemer bestaat gelden de volgende bepalingen.

2.
De werknemer heeft tijdens vorst bij buitenwerkzaamheden waarbij hij direct aan de buitenlucht is blootgesteld, het zelfstandig recht zijn werkzaamheden te staken, indien sprake is van één of meer van de navolgende omstandigheden:

  • een gevoelstemperatuur van -6° Celsius of lager. Hierbij geldt niet de voorwaarde dat sprake moet zijn van vorst;
  • rijwegen dan wel looppaden niet in begaanbare staat verkeren;
  • geen winter-/doorwerkkleding ter beschikking is gesteld;
  • er een sneeuwdek op het werkobject/de werkplek ligt dat niet met eenvoudige middelen is te verwijderen.

3.
Indien een van de hierboven genoemde situaties zich uiterlijk om 10.30 uur nog voordoet, is de werknemer gerechtigd het werk te verlaten. De gevoelstemperatuur volgens de 10 uur-meting van het KNMI-weerstation in het postcodegebied waarin het bouwproject, waar de werknemer werkzaam is, zich bevindt, is daarbij bepalend. Een overzicht met deze weerstations per postcodegebied is terug te vinden op de websites van cao-partijen en op www.weerverlet.nl.

4.
De werkgever is in geval van arbeidsverhindering in verband met ongunstige weersomstandigheden verplicht aan de werknemer het vast overeengekomen loon door te betalen. Indien een prestatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 45 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen in de betreffende loonbetalingsperiode van vier weken of een maand waarin het vorstverzuim valt, dan wel indien vorstverzuim de gehele betreffende loonbetalingsperiode omvat, het gemiddelde over de voorgaande loonbetalingsperiode. De werkgever is eveneens verplicht te voldoen aan de verplichtingen aan het Tijdspaarfonds.

5.
Weersomstandigheden, waaronder of ten gevolge waarvan niet of minder kan worden gewerkt, zullen geen reden zijn tot korting van loon of het geven van ontslag. Een vóór deze arbeidsverhindering aangezegd ontslag, dan wel een ontslag dat voortvloeit uit het verstrijken van de termijn waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, wordt hierdoor echter niet opgeschort. Evenmin verzet deze arbeidsverhindering zich tegen ontslag op staande voet, wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW. De werkgever is verplicht de werknemer in geval van ontslag wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW daarvan direct mondeling mededeling te doen.

6.
De loondoorbetalingverplichting voor de werkgever geldt ook, indien sprake mocht zijn van een verschil van mening over de vraag of door de werknemer al dan niet terecht een beroep is gedaan op het bepaalde in lid 2 en/of 3 van dit artikel.

7.
Indien de werkgever, ondanks zijn verplichting daartoe, het loon van de werknemer niet doorbetaalt, kan die verplichting op aanvraag van de werknemer worden overgenomen door het Garantiefonds Loondoorbetaling bij Vorst. De werknemer dient bij zijn aanvraag aan te tonen:

  • dat sprake is van een dienstbetrekking waaraan hij zijn aanspraken ontleent;
  • wat de omvang van zijn aanspraken uit die dienstbetrekking op het Garantiefonds Loondoorbetaling bij Vorst is;
  • dat hij zijn werkgever schriftelijk ter nakoming van diens verplichtingen ter zake aangetekend heeft gemaand.

8.
Indien het Garantiefonds Loondoorbetaling bij Vorst aan de werknemer een loondervingsuitkering verstrekt, verwerft het fonds op de werkgever een zelfstandig recht op invordering van een bedrag, gelijk aan de uitkering die aan de werknemer is gedaan, vermeerderd met administratie- en incassokosten en wettelijke rente. Indien een werknemer, hangende een aanvraag om uitkering door het Garantiefonds, alsnog van zijn werkgever voldoening van het hem toekomende loon verkrijgt, dient de aanvraag terstond via een schriftelijke kennisgeving door de werknemer te worden ingetrokken. Ten onrechte verstrekte loondervings­uitkeringen dan wel verstrekte voorschotten daarop worden van de werknemer teruggevorderd.

9.
De werkgever, die meent dat de werknemer ten onrechte zijn werkzaamheden op grond van een omstandigheid zoals genoemd in lid 2 heeft gestaakt, kan Weerverletbestrijding verzoeken te toetsen of zulks terecht is gebeurd. Indien blijkt dat de staking van de werkzaamheden ten onrechte is geschied, is de werknemer verplicht zijn werkzaamheden direct te hervatten, voor zover de omstandigheden zoals bedoeld in lid 2 dat op dat moment toelaten.
Voorts gelden de volgende bijzondere bepalingen:

10.
Indien werknemers in de steigerbouw werkzaamheden verrichten bij een gevoelstemperatuur van -6° Celsius of lager zullen deze werknemers, onder handhaving van de gebruikelijke begin- en eindtijden van de werkdag, vier maal 1,5 uur effectief op de werkplek werkzaam zijn afgewisseld met een opwarmpauze van telkens minimaal 15 minuten. De benodigde aan- en aflooptijd is niet in deze effectieve werktijd van 1,5 uur inbegrepen. Op één werkdag kunnen maximaal vier shifts van effectief 1,5 uur worden gepland onder doorbetaling van het vast overeengekomen loon. Werknemers in de steigerbouw die zijn ingedeeld in de bouw kunnen tijdens vorst ook worden ingezet in de industriële steigerbouw, onder toepassing van dezelfde voorwaarden die gelden voor de industriële steigerbouw.

11.
Bij arbeidsverhindering door te weinig licht, mist, regen, wind, vorst of uitzonderlijk hoge of lage waterstand zullen de niet gewerkte uren als arbeidsuren worden beschouwd.

12.
Bij arbeidsverhindering als gevolg van uitzonderlijk hoge of lage waterstand geldt dit slechts over de werkdag waarop de arbeidsverhindering ontstaat.

13.
Onverminderd het bepaalde onder lid 11 geldt het onder lid 12 bepaalde voor de grond-, water- en wegenbouw slechts over de eerste vijf werkdagen, indien de arbeidsverhindering is ontstaan als gevolg van uitzonderlijk hoge waterstand ten gevolge van bijzonder zware regenval, alsmede een zodanige wateroverlast door ondoorlaatbaarheid van de bodem, dat niet meer kan worden gewerkt op het werkterrein of de bouwplaats dan wel het werkterrein of de bouwplaats onbegaanbaar is en de opdrachtgever de arbeid verbiedt.