Windchill methode

Met ingang van de winter van 2009-2010 hanteert het KNMI de methode JAG/TI. Voor het berekenen van de windchill- in het Nederlands: gevoelstemperatuur- hanteert het KNMI de methode JAG/TI.

Bij vriezend weer voelt het op een winderige dag, met meer warmteverlies door de wind, kouder aan. De gevoelstemperatuur (Engels ‘wind chill equivalent temperature’) geeft aan bij welke temperatuur op een koude winterdag zonder wind bij een volwassen mens een vergelijkbaar warmteverlies zal optreden. Het verschil tussen de luchttemperatuur en de gevoelstemperatuur is een maat voor het door de wind veroorzaakte warmteverlies. Het KNMI vermeldt de gevoelstemperatuur op koude winterdagen met meer wind om koudeletsel, zoals onderkoeling en bevriezing, te voorkomen. In april 2000 werd door de Joint Action Group on Temperature Indices (JAG/TI) een voorstel van Randall Osczevski en Maurice Bluestein voor berekening van de gevoelstemperatuur geaccepteerd. De JAG/TI methode is sindsdien ingevoerd in Canada, de Verenigde Staten, IJsland en het Verenigd Koninkrijk, Nederland (KNMI) sluit daar bij aan.

Om een idee te geven van de impact: bij gevoelstemperatuur onder -20 graden kunnen bevriezingsverschijnselen optreden als de huid langer dan een half uur aan de kou wordt blootgesteld. In Nederland hebben we de laatste dertig jaar weinig strenge winterkou gehad, maar ook met een kleine kans op strenge winters blijven situaties met lage gevoelstemperatuur mogelijk. Juist daardoor neemt het belang van de berichtgeving toe, reden voor het KNMI om hiervoor klaar te staan.

» Wat de gevolgen zijn en hoe u bevroren huid herkent leest u hier.

» Klik hier voor gedetailleerde achtergrondinformatie van het KNMI.